De vrachtwagen (deel III)

De vrachtwagen (deel III)

In de verte, aan de rand van de zichtbare horizon, tussen de frisse groene plukken van gewassen en bomen, worden enkele rechthoekige beton grijze huisjes zichtbaar. De vrachtwagen is al grommende en sputterend op een heuveltop aangekomen en het weidse uitzicht schildert zich als een Van Gogh op het bekraste voorruit voor mij.

“How far is it?” vraag ik hoopvol aan de man naast mij terwijl ik met mijn vinger naar de luttele gebouwtjes in de verte wijs. De man trapt nog eens hard een van de doffe met deuken versierde pendalen onder hem in, terwijl hij vakkundig de uitstekende pook naar achteren trekt. Het gebarsten en gescheurde zwarte leer rond het uitstekende gevaarte geeft moeizaam mee. De man zwijgt even alsof mijn woorden maar nauwelijks tot hem doordringen. “No far, Tabo” vloeit er in gebroken Engels, met twijfelende pauzes tussen de woorden, dan toch uit zijn mond. Een brede lach verschijnt over zich gezicht. “Good..?” zegt hij, terwijl hij zijn hoofd naar mij toedraait. Ik zie zijn bruine ogen oplichten terwijl ik ook diep in zijn ogen sporen zie van het harde leven hier als chauffeur. Het doet mij terug gaan naar wat backpackers tegen mij vertelde een dag terug; slecht betaalde baan waarin shifts van 24u achter het stuur niet ongewoon zijn. Deze man, een net zo mooi mens als ik, heeft een ander lot getrokken in de loterij des levens op deze aardbol. Dit dringt steeds dieper tot mij door en sijpelt langzaam van mijn keel naar mijn hart, waar ik hoe langer ik in de truck zit, meer compassie voor hem voel. Hij, die het lot als chauffeur getrokken heeft in een arm land, leeft gewoon zijn leven, doet zijn best en maakt er het beste van. Keihard zwoegen en zweten om verse rijst, chapatis, en daal op tafel te krijgen voor zijn geliefden. “Really good, thank you so much” antwoord ik, terwijl ik lach op mijn gezicht tover en een paar keer met mijn hoofd heen en weer beweeg, typisch voor dit deel van de wereld.

De truck komt schokkend tot stilstand aan de kant van de weg. Hier midden in het dorp lijkt de rust en leegte van de omgeving ver weg. Het plein naast de weg staat vol met kraampjes die kleurige etenswaren, blinkende sierraden, mooie doeken en kleding, en talloze andere dingen aanbieden. Het geschreeuw van opdringerige marktkooplieden, geratel en gekletter van botsende voorwerpen, in de verte klinkende muziek uit half kapotte boxen, met een ondertoon van motor gebrom afkomstig van de vrachtwagen, vult mijn oren. Een wirwar van steegjes, vol gestouwd met mensen met her en der een haastige brommer die zich er doorheen probeert te wurmen, komen uit op het plein. Vrouwen in rijkelijk gekleurde sarees en mannen in eenvoudige broek en shirt, lopen kriskras over het plein. Een groep kinderen heeft aan de rand een plek gevonden om uitbundig cricket te spelen. De etensgeuren van vers gebakken paranthas, gefrituurde pakoras en samosas, en net gezette zoete chai, bereiken mijn neus. Het mixt zich met de geur van verbrande diesel, het rottende afval water dat langs de weg als open riool dient, en de wolken wierrook die nog steeds uitbundig op het altaar voor mij tevoorschijn komen. Een prachtige mengeling van avontuur en leven.

Luid getoeter klinkt van achter de vrachtwagen. Iemand die het duidelijk niet op prijs stelt dat het logge voertuig een deel van de weg blokkeert. Uit mijn zak haal ik een pakket verwrongen gekleurde biljetten. “Thank you so much” zeg ik tegen de chauffeur terwijl ik twee paarse papiertjes van onderaf pak en aan hem geef. Hij lijkt in eerste instantie te twijfelen maar pakt ze dan toch dankbaar uit mijn handen. “Thank you” brengt hij uit. Ik glimlach en vouw mijn handen in gebedshouding en dank hem met een paar hoofdbewegingen. Mijn voeten ploffen op de stoffige weg onder mij als ik uit de truck spring, terwijl ik snel mijn rugzak aanpak van de chauffeur. “Goodbye, goodbye, thank you” schreeuw ik na, nog net uitkomende boven het gebrom van de motor. Hij zwaait en doet de deur dicht. Het gebrul zet aan en hortend en stotend, met flinke wolken zwarte rook, zet het voertuig zich weer in beweging.

De grauwe betonnen huizen staan als een dichtgepakt bos tegen elkaar gedrukt. Bossen met gekleurde elektriciteitsdraden hangen losjes over de ingemetselde en verankerde ophangpunten. Tussendoor lijken de draden haastig aan elkaar geknoopt met geraffelde touwen. Bij elk huis verdwijnt een deel van de warrige boel door een half stuk uitgehakt en niet netjes afgewerkt gat in de muur naar binnen. De straat benee lijkt meer op een woeste rotachtige weg dan op de verbindingsroute tot deze samengepakte levensruimtes. Stukken asfalt wisselen zich af met diepe stoffige kuilen en her en der half weggewerkte waterleidingen. Mocht er al enige organisatie of logica zijn in deze bijeengepakte chaos, dan lijkt die hier losjes gehanteerd te worden.

Slalommend tussen de mensen en kuilen in de weg zoek ik naar het bevrijdende uithangbord van het hostel. Ik voel de vermoeidheid in mijn ogen prikken en het verlangen naar een bed om te rusten met elke stap groeien. De straat lijkt af en toe een uitbundige kermis. De kleine winkeltjes die uiteenlopende koopwaren aanbieden afgewisseld met het rijkelijke straateten van deze regio: vers gestoomde momo’s en dampende thali’s van rijst en daal. Het bekende fel orange uithangbord van het hostel komt in zicht en hiermee een adempauze voor mijn avonturen.

Comments are closed.