De vrachtwagen (deel II)

De vrachtwagen (deel II)

Het luide geknars en gepiep van de vrachtwagen onder mij, dat zich al slingerend een weg baant door het uitgestrekte landschap, brengt mij terug in de realiteit. Een warme met stof gevulde stroom lucht uit het halfgeopende raam naast mij, strijkt langs mijn gezicht, uitgegroeide krullende baard, en bruin geblakerde met zweet bedekte glimmende hals. Het lijkt alsof ik in een hete lucht oven ben gezet die zijn inhoud langzaam gaar kookt om later verorbert te worden. ‘Waarom was ik hier ook al weer?’ schiet door mijn nog wat onrustige hoofd die nog steeds niet helemaal gewend is aan de situatie. Een kramp maakt zich meester van mijn buik en ik voel de spanning in mijn schouders en vingers ontvouwen als een uitkomende bloem. ‘Het is oke, ik mag het laten gaan’ stel ik mijzelf meerdere malen gerust.

Ik kijk opzij naar de pas net ontmoette man naast mij. Zijn handen en voeten werken gecoördineerd samen om de zware truck over de met gaten bedekte weg te loodsen. Het lijkt haast zonder moeite te gaan. Als een ingestudeerd orkest speelt zijn hele lichaam mee. De spieren van zijn arm staan strak gespannen als hij sjort aan het grote stuur, versierd met doeken en linten van gekleurde patronen, om het zoveelste gat in de weg te ontwijken. Zijn voeten ritmisch aan het werk tussen de drie pendalen onder hem. Zijn linkerhand steevast op de uitstekende lange pook naast hem, die hij in grote slagen heen en weer beweegt. Druppels zweet gemengd met stof lopen van zijn gezicht en vermengen zich met de pool aan water in zijn ietwat geraffelde shirt. Een haast niets zeggend shirt van beige bijna zandkleurige stof, dat lijkt weg te vallen in het kleurenpallet van de omgeving, wat overal ter wereld gedragen had kunnen worden. Zijn lange stoffen blauwe broek, verzadigd met zand en vlekken, steekt fel af tegen zijn bovenlijf en sterkt de toch al uitbundige omgeving in de cabine ter meer. De man lijkt zich niet te storen aan mijn observerende blik, of wellicht zo druk in de weer dat hij het niet merkt. Mijn eigen kleren, een fel oranje shirt met patronen van dieren en een lange witte stoffen broek, plakken stevig aan mijn bezwete huid.

Een glimlach trekt over mijn gezicht als ik de absurde situatie echt tot mij laat doordringen. Een totaal andere wereld dan waar ik slechts één week geleden uit was vertrokken. Een zacht gevoel in mijn hart, dat wellicht een vorm van heimwee aanneemt, maakt zich van mij meester, Ik zie de beelden voor mij van lachende en wuivende mensen die mij een laatste groet wensen, en zich al zoekende in de mensenmassa een laatste glimp van mij hopen op te vangen. Het lijkt alweer een eeuw geleden terwijl ik mijn ogen over de met rotsen bezaaide rivier naast mij laat gaan. De stroom water is verminderd tot iets wat lijkt op een klein kabbelend beekje die je op vakanties in het achterland van Frankrijk zoveel aantreft. De enorme soms gepolijste rotsen duiden erop dat dit in luttele uren kan veranderen in een razende alles met zich meesleurende woestenij. De zanderige en rotsachtige vlakte scheidt de rivier van de afwisselende imposante bergpieken. De ene nog hogere en puntiger dan de andere, slechts bedekt met rotsachtige keien en stenen. De hoogste pieken verdienen een met sneeuw bedekte top dat fel afsteekt tegen de zandkleurige dekking daaronder. Her en der tussen rotsen, tonen zich stekelige kleine planten in kleuren van grijzig tot iets wat nauwelijks groen te noemen valt. Ze lijken bang om zich te laten zien aan de alles omvattende en uitgestrekte leegte.

De truck mindert vaart nu de weg geheel gestript is van asfalt en de kuilen dieper lijken te worden. Als een wonderlijke symbiose zijn de weg en de rivier samengekomen en kronkelen nu als innige metgezellen gezamenlijk richting de horizon. Scherpe bochten en diepe ravijnen beginnen zich in hoger tempo af te wisselen terwijl de weg in breedte fluctueert als een Nederlandse zomer. Het shirt van de man achter het stuur lijkt zich verder te doordrenken met vocht van de inspanningen om het voertuig op de weg te houden.

Ik voel mij plots naar voren getrokken door een onzichtbare kracht terwijl tegelijkertijd het harde gepiep van de remmen en het gevloek, in iets dat op Hindi lijkt, van de man naast mij mijn oren vult. Met een schok staat de truck muurvast op de rotsige weg, met tientallen meters ervoor een half vervallen groen beschilderde bus. Het grote voorraam bevat een lange barst dat van boven naar beneden schuin over het raam loopt. Met grote hoofdletters staat de provincienaam erboven geschilderd ‘Himachel Pradesh’. De iets verschrikte ogen van zowel de buschauffeur als de eerste rij passagiers, kijken achter het glas mij aan. Een scherpe draai in de weg ontnam het zicht op het voertuig tot het laatste moment, en ondanks het veelvuldig toeteren kwam deze ontmoeting toch als een verrassing. De twee kolossale voortuigen recht tegenover elkaar, samen geperst tussen links de afgrond naar de rivier, en rechts de steile bergwand. De weg is smal. Na wat haastige handbewegingen tussen de man naast mij en de chauffeur van de bus, begint het groene geroeste voortuig zich langzaam naar achteren te bewegen. Een luid gefluit in korte stoten komt uit de halfgeopende soms gebarsten zijraampjes van de bus. Af en toe zie ik het donkere hoofd van een geconcentreerde man met groene pet uit het zijraam steken. Hij kijkt druk om zich heen terwijl het een rood fluitje in zijn mond vast heeft. Het is duidelijk dat hij met cryptische tonen de chauffeur voorin enigszins tracht te begeleiden in de scherpe bocht naar achteren. Afwisselende zwarte rookpluimen stijgen op achter de bus, als het met horten en stoten zich moeizaam naar achteren beweegt. De zichtbare passagiers achter het raam wiegen heen en weer als de bus zich door diepe gaten heen worstelt. De bus verdwijnt langzaam achter de bocht terwijl de vrachtwagen zich stotterend weer in beweging zet. Mijn linkerhand steunt tegen de zijkant van het raam zoekend naar steun tegen het hevig opzij en op en neer bewegen van de truck. De bus manoeuvreert zich zodanig dat een schamele ruimte zichtbaar wordt links van de bus. Met een grote vakkundigheid brengt de man naast mij het voertuig naast de bus met slechts centimeters van de afgrond. Terwijl wij langzaam langs het groene gevaarte bewegen bekijken de mensen mij met nieuwsgierige aftastende ogen. De kinderen lachend, nieuwsgierig en af en toe zwaaiend, de vrouwen verlegen maar stiekem kijkend, de oudere mannen krachtig en afstandelijk. Het groene obstakel verdwijnt langzaam verder naar achteren en de vrijheid van de weg wordt weer zichtbaar. Ver zal het vast niet meer zijn naar Tabo.

Comments are closed.